Generatiepactwet – Nieuw fiscaal regime voor de aanvullende pensioenen

Op 12 april 2007 antwoordt de minister van Financiën op een vraag in de Kamer over het nieuw fiscaal regime voor de aanvullende pensioenen. In het Generatiepact is immers voorzien dat de belastingen op pensioenen gevormd met werkgeverskapitalen zullen verlaagd worden van 16,5% naar 10% als de betrokken werknemer “actief is gebleven tot aan de pensioenleeftijd”. In het antwoord van de minister wordt nu verduidelijkt wat men dient te verstaan onder “actief blijven tot aan de pensioenleeftijd” en wordt verwezen naar een nieuwe circulaire van de belastingadministratie.

VRAAG 07/1545

Vraag nr. 1545 van de heer Bogaert dd. 24.01.2007

Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 162, blz. 31615-31618

Generatiepactwet – Nieuw fiscaal regime voor de aanvullende pensioenen

VRAAG

Ik verwijs naar mijn eerder gestelde mondelinge vraag (vraag nr. 10081, Integraal Verslag, Kamer, 2005-2006, commissie voor de Financiën, 7 februari 2006, COM 842, blz. 12).

Het Generatiepact wil de beroepsbevolking ertoe aanzetten om langer te werken.

Eén van de hefbomen daartoe is de invoering van een gunstig belastingregime voor aanvullende pensioenkapitalen.

Het deel van het pensioenkapitaal, dat met werkgeversbijdragen wordt gevormd, wordt verlaagd van 16,5% naar 10%.

Voorwaarde hiertoe is dat het aanvullend pensioen wordt uitgekeerd ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd van de werknemer en de werknemer tot die dag aan de slag is gebleven.

Deze vraag heb ik reeds gesteld in de voormelde commissievergadering van 7 februari 2006. De voorgelegde gevallen zouden door uw administratie, samen met de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg nader onderzocht worden. Gezien hierover in de praktijk talloze vragen rijzen, wens ik nogmaals mijn vragen voor te leggen.

1. Hoe moet de voorwaarde “aan de slag blijven tot de wettelijke pensioenleeftijd” begrepen worden bij:

a) werknemers die deeltijds werken tot 65 jaar;

b) werknemers die deeltijds werken als gevolg van de opname van (deeltijds) tijdskrediet en het pensioenkapitaal opnemen op 65 jaar;

c) werknemers die met vervroegd pensioen gaan op hun 60ste, maar op hun 64ste terug aan de slag gaan als uitzendkracht tot hun 65ste en het aanvullend pensioen dan pas opnemen;

d) werknemers die met vervroegd pensioen gaan op 60 jaar na een loopbaan van 40 jaar en pas het aanvullend pensioenkapitaal opnemen op hun 65ste;

e) werknemers die voltijds tijdskrediet opnemen tot aan de wettelijke pensioenleeftijd en het pensioenkapitaal opnemen op 65 jaar;

f) werknemers die langere tijd afwezig zijn door een schorsing van de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld wegens ziekte en dan het aanvullend pensioen ontvangen op 65 jaar?

2.

a) Kan in elk van deze gevallen het gunsttarief toegepast worden?

b) Waarom (niet)?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 12.04.2007)

Vooraf wens ik de aandacht van het geachte lid te vestigen op hetgeen volgt.

Opdat sommige kapitalen en afkoopwaarden in aanmerking zouden kunnen komen voor een fiscaal gunstig regime (hetzij de aanslagvoet van 10 %, hetzij de beperking van de in aanmerking te nemen berekeningsgrondslag voor de vaststelling van de omzettingsrente met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden die in aanmerking komen voor de omzetting in lijfrente), is vereist dat die kapitalen ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd aan de begunstigde die minstens tot aan die leeftijd effectief actief is gebleven. Het “effectief actief zijn ” moet worden beoordeeld tijdens een periode van 3 jaar vóó r het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. De verkrijger van bedoelde kapitalen en afkoopwaarden moet dus gedurende de laatste 3 jaren die onmiddellijk voorafgaan aan zijn/haar wettelijke pensioenleeftijd (dus doorgaans vanaf de leeftijd van 62 jaar), ononderbroken effectief actief zijn gebleven. Deze periode wordt hierna de referentieperiode genoemd.

Hiermee rekeninghoudend, vindt het geachte lid hierna het antwoord op de door hem gestelde vragen.

1. a) en b) en 2. Belastingplichtigen die tot het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd tewerkgesteld zijn in een deeltijdse arbeidsregeling beperkt tot minimum de helft van een voltijdse betrekking (op basis van bijvoorbeeld een individueel akkoord), komen in aanmerking voor de gunstige fiscale maatregel, voor zover het aanvullend pensioen ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd wordt uitgekeerd aan de begunstigde. Deze periode van mindere activiteit wordt gelijkgesteld met een periode van activiteit.

Hetzelfde geldt voor belastingplichtigen die aanspraak hebben gemaakt op:

  • het recht op 1/5de loopbaanvermindering (artikel 1, 2de streepje en 6 tot 8 van CAO 77bis);
  • het recht op vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (artikel 1, 3de streepje en 9 tot 10 van CAO 77bis);

1. c), d) en 2. Belastingplichtigen die hun beroepsactiviteit op vrijwillige basis stopzetten en hun vervroegd pensioen aanvragen zijn zeker niet van plan om verder actief naar een baan te zoeken. Louter door het feit dat zij vóór het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd hun pensioenrechten tijdelijk schorsen om bijvoorbeeld als uitzendkracht terug aan de slag te gaan, kan niet worden gesteld dat zij tot dan effectief actief zijn geweest.

De periode vanaf wanneer het vervroegd pensioen is ingegaan, zelfs indien vanaf 62 jaar of later de pensioenrechten worden geschorst om bijvoorbeeld als uitzendkracht terug aan de slag te gaan tot de wettelijke pensioenleeftijd, kan niet worden aangemerkt als zijnde een periode van effectieve activiteit, met andere woorden de gunstige fiscale maatregel kan niet worden toegepast in hoofde van een werknemer die het vervroegd pensioen heeft aangevraagd.

1. e) en 2. Belastingplichtigen die (tijdens de referentieperiode) tot het bereiken van hun wettelijke pensioenleeftijd hun voltijdse arbeidsprestaties of hun deeltijdse arbeidsregeling volledig schorsen en hun recht op het voltijdse tijdskrediet (artikel 1, 1e streepje en 3 tot 5 van CAO nr. 77bis) doen gelden, komen niet in aanmerking voor de gunstige fiscale maatregel. De periode van het voltijds tijdskrediet kan niet worden aangemerkt als zijnde een periode van effectieve activiteit.

1. f) en 2. Belastingplichtigen die zich bevinden in een overmachtsituatie en die in de referentieperiode:

  • een wettelijke ziekte- of invaliditeitsuitkering genieten, waarbij de arbeidsongeschiktheid niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft en voor zover de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ziekte (andere dan beroepsziekte) of ongeval (andere dan beroepsongeval);
  • overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de vergoeding voor tijdelijke, algehele arbeidsongeschiktheid genieten of de vergoeding voor blijvende ongeschiktheid vermeld in artikel 24 van dezelfde wet, ofwel overeenkomstig
  • artikel 37 van de wet betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, de vergoeding voor volledig tijdelijke of volledige blijvende arbeidsongeschiktheid genieten, indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval respectievelijk beroepsziekte;

worden geacht gedurende die periode effectief actief te zijn geweest, waardoor de gunstige fiscale maatregel kan worden toegepast voor zover het aanvullend pensioen ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd wordt uitgekeerd aan de begunstigde.

Volledigheidshalve kan ik u nog meedelen dat de interpretatie van het begrip “effectief actief” reeds werd toegelicht in bijlage 8 op blz. 50 tot 52 van het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten met betrekking tot de opmaak van de individuele fiche 281.11 en de samenvattende opgave 325.11 voor inkomsten betaald of toegekend tijdens het jaar 2006, te raadplegen via de site: http://www.fiscus.fgov.be/interfaoifnl/Werkgevers/Fichesopgaven/fichesopgaven.htm.