Aanpassingen aan fiche 281.11

De nieuwe brochure van Belcotax is beschikbaar waar de vereisten voor de fiche 281.11 worden beschreven.

Op het eerste zicht lijkt het dat er een aantal gegevens niet meer moeten aangegeven zoals:

  • Gezinstoestand

    • Echtgenote of wettelijk samenwonende (zone 2.020)

    • Aantal kinderen (zone 2.021)

    • Aantal anderen ten laste (zone 2.022)

    • Diverse (zone 2.023)

    • Echtgenote gehandicapt (zone 2.024)

    • Verkrijger gehandicapt (zone 2.026)

  • Burgerlijke stand (zone 2.019)

  • Nr. paritair comité

Ook op de PDF vallen deze velden weg.

De indieningstermijn voor aangifte 281.11 is ten laatste op 28 februari 2022.

fiche_281.11_FR

fiche_281.11_DE

fiche_281.11_NL

161-xsd-2021-20211223

161-belcotax-brochure-2021-20211223-nl

Overzicht van de pensioenmaatregelen in het regeerakkoord

In het regeerakkoord wordt op verschillende plaatsen de pensioenen (1ste, 2de en 3de pijler) hervormd. Hierbij een overzicht:

Hervorming van de pensioenen (pag. 102)

Maatregelen betreffende de 2e en 3e pijlers

In het kader van de interprofessionele onderhandelingen zal de regering de sociale partners vragen om de 1e pensioenpijler te consolideren en een veralgemening van een 2e pijler of van een 1e pijler bis te overwegen, bij voorrang voor zij die geen toegang hebben tot de 2e pijler.

De regering zal de fiscale 80%-regel evalueren om er de perverse gevolgen van bloot te leggen (het aandikken van de bezoldiging op het einde van de loopbaan om het hoogste fiscale voordeel te kunnen genieten, rekenfouten door een verkeerde evaluatie van het wettelijk pensioenbedrag bij een gemengde loopbaan, …) en die te vermijden.

De voor de 2e pensioenpijler gestorte bijdragen zullen maar fiscaal aftrekbaar zijn (in het kader van de 80%-regel) indien ze recht geven op een aanvullend pensioen dat, bij het wettelijk pensioen samengevoegd, het niveau van het hoogste overheidspensioen niet overschrijdt.

De belastingsvoeten van de 2e pijler, opgebouwd op basis van de werkgeversbijdragen, zullen worden herzien: 20% op 60 jaar, 18% op 61 jaar, 16,5% op 62 tot 64 jaar en 10% op 65 jaar, tegen 16,5% op 60 tot 64 jaar en 10% op 65 jaar vandaag.

De belastingsverminderingen op de 2e en de 3e pijler, die momenteel berekend worden op basis van een bijzondere gemiddelde aanslagvoet, zullen voortaan op basis van een percentage van 30% voor alle belastingplichtingen worden berekend, ongeacht het inkomen.

Verhoging van de effectieve leeftijd om op vervroegd pensioen te gaan

De minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen zal vanaf 2013 met 6 maanden verhogen en daarna met 6 maanden per jaar om in 2016 op 62 jaar te komen, in de privésector en in het algemeen stelsel van het openbaar ambt. De minimale loopbaanvoorwaarde zal in de privésector en in het algemeen stelsel van het openbaar ambt tegen 2015 geleidelijk aan op 40 jaar komen.” Bij lange loopbanen zal men in twee uitzonderingen voorzien: het pensioen zal op 60 jaar kunnen bij 42 loopbaanjaren en op 61 jaar bij 41 loopbaanjaren.

Jaar Minimumleeftijd Loopbaanvoorwaarde Uitzonderingen lange loopbanen
2012 60 jaar 35 (privé) / 5 (overheid) loopbaanjaren
2013 60 jaar en 6 maanden 38 loopbaanjaren 60 jaar bij 40 loopbaanjaren
2014 61 jaar 39 loopbaanjaren 60 jaar bij 40 loopbaanjaren
2015 61 jaar en 6 maanden 40 loopbaanjaren 60 jaar bij 41 loopbaanjaren
2016 62 jaar 40 loopbaanjaren 60 jaar bij 42 loopbaanjaren
61 jaar bij 41 loopbaanjaren

De pensioenbonus zal vóór 1 december 2012 worden geëvalueerd, met de bedoeling om zijn aansporend karakter te versterken.

De laatste beroepsmaanden zullen geleidelijk aan in de pensioenberekening van de privésector in rekening worden gebracht. Een in ministerraad overlegd besluit zal het ogenblik waarop deze bepaling in werking treedt vastleggen.

Werken na 65 jaar zal in de overheidssector worden toegestaan, mits het akkoord van de werkgever.

Het beginsel van eenheid van loopbaan zal in alle stelsels geleidelijk aan worden afgeschaft: de gewerkte jaren na 45 loopbaanjaren zullen recht geven op een verhoogd pensioen, voor zover ze niet meer dan dertig gelijkgestelde dagen per loopbaanjaar bevatten.

Verlenging van sommige loopbanen door de bijzondere stelsels op het algemeen stelsel af te stemmen

De huidige ambtenaren van de bijzondere stelsels van het openbaar ambt die nu een gunstigere tantième dan 1/48e genieten zullen voor de vanaf 1 januari 2012 gepresteerde periodes hun pensioen op basis van een tantième 1/48e zien berekend worden (de al verworven rechten blijven volgens de oude berekeningsmethode).

De ambtenaren van 55 jaar en ouder op 1 januari 2012 zullen voor hun volledige pensioen de oude berekeningsmethode genieten.

De bijzondere stelsels van de privésector zullen op het algemene stelsel worden afgestemd: de verworven rechten zullen vanaf 1 januari 2012 op basis van de nieuwe berekening gebeuren en de werknemers van 55 jaar en ouder op 1 januari 2012 zullen de oude berekeningsmethode voor hun volledige pensioen genieten.

Verhoging van het aantal jaren dat voor de pensioenberekening in de overheidssector meetelt

De gemiddelde wedde van de laatste tien beroepsjaren zal als basis dienen om het pensioen in de overheidssector te berekenen.

Deze nieuwe berekeningsmethode zal niet gelden voor de mensen van 50 jaar en ouder op 1 januari 2012.

Om de mensen met de laagste pensioenen te beschermen, zal de regering onderzoeken of men ervoor kan zorgen dat de nieuwe berekening geen pensioen oplevert dat onder een te bepalen niveau ligt.

Vrijwillig werken na de pensioenleeftijd

Vóór 65 jaar

Het huidige stelsel zal blijven, maar de sanctie zal in overeenstemming met de overschrijding zijn. De inkomensgrens zal voortaan geïndexeerd zijn.

Vanaf 65 jaar

De beroepsinkomensgrens zal worden afgeschaft voor de personen die in 2013 42 loopbaanjaren tellen. In 2014 zal de maatregel worden geëvalueerd met het oog op een eventuele verhoging van deze loopbaanvoorwaarde. Vanaf een jaarinkomen van 33.000 € bruto zal de belastingvermindering voor vervangingsinkomens degressief zijn.

Voor de personen die niet aan de loopbaanvoorwaarde voldoen: de (voortaan geïndexeerde) inkomensgrens zal blijven, maar de sanctie zal in verhouding tot de overschrijding staan.

Het zal onmogelijk blijven om bijkomende pensioenrechten op te bouwen wanneer men al een pensioen krijgt.

Deze maatregelen zullen vanaf 2013 worden toegepast.

Bij de pensioenberekening het werk meer laten doorwegen ten opzichte van de periodes van inactiviteit

De regering zal de mogelijkheid onderzoeken om de uitvoeringsregels voor de gelijkstelling van de voor alle pensioenstelsels gemeenschappelijke periodes op elkaar af te stemmen.

De werkloosheid van de 3e periode en de brugpensioenperioden vóór 60 jaar zullen in de pensioenberekening gevaloriseerd worden op basis van het minimumrecht per loopbaanjaar, met uitzondering van de brugpensioenen in geval van een bedrijf in moeilijkheden of herstructurering, evenals die welke ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 96 werden genomen.

De periodes van vrijwillige werkonderbreking, buiten het gemotiveerde tijdskrediet en de thematische verloven, zullen bij de pensioenberekening nog voor maximum een jaar gevaloriseerd worden. In geval van een arbeidsduurvermindering van 1/5de tijd zal deze gelijkstelling in dagen kunnen worden geteld.

Deze maatregelen zullen voor de betrokken periodes vanaf 2012 in werking treden.

De overlevingspensioenen beperken

De mensen die hun partner  verliezen zullen een “overgangsuitkering” ontvangen waarvan de duur zal afhangen van de leeftijd, het aantal kinderen en het aantal jaren van wettelijk samenwonen of huwelijk.

Na afloop van de overgangsuitkering en bij gebrek aan een baan zal er onmiddellijk een recht op werkloosheidsuitkering geopend worden, zonder wachttijd en met een aangepaste en vroegtijdige begeleiding.

Om een overgang tussen het oude en het nieuwe stelsel te garanderen, zal de regering ervoor zorgen dat voor de mensen die op 1 januari 2012 de leeftijd van 30 jaar hebben bereikt, in geval hun partner overlijdt, het rustpensioen zal worden verhoogd met een bedrag ter waarde van wat ze in het kader van het huidige overlevingspensioenstelsel zouden hebben ontvangen.

De regels om een pensioen en een beroepsinkomen te cumuleren zullen worden versoepeld, teneinde de werkloosheidsvallen te bestrijden.

Zilverfonds en Fonds voor de toekomst

De regering zal in overleg met de sociale partners onderzoeken of een fusie tussen het Zilverfonds en het Fonds voor de toekomst van de geneeskundige verzorging opportuun is.

De inkomens van de gepensioneerden optrekken en hen beter informeren

De pensioenen van de zelfstandigen en van de loontrekkenden zullen in het kader van de welvaartsenveloppe worden opgewaardeerd.

Alle werkenden zullen zeer regelmatig, en vanaf het begin van hun loopbaan, een raming van hun toekomstige pensioenrechten ontvangen. De loopbaangegevens over de drie pensioenstelsels en de aanvullende pensioenen zullen in één databank worden bijeengebracht waarin de gegevens onder een format zullen zijn opgeslaan dat voor alle takken van de sociale zekerheid bruikbaar is. Zo zal er maar één aanspreekpunt zijn om de gepensioneerden en de toekomstige gepensioneerden over hun toestand en rechten te informeren.

In diverse hoofdstukken

  • De pensioenregeling voor parlementsleden zal progressief in overeenstemming gebracht worden met het systeem in de openbare sector. (pag. 12)
  • De individuele pensioentoezeggingen voor de zelfstandige bedrijfsleiders zullen moeten worden uitbesteed aan een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds en zullen niet meer kunnen worden opgebouwd via een interne pensioenvoorziening van het bedrijf. De verzekeringspremies op die toezeggingen zullen worden onderworpen aan de belasting van 4,4% op de verzekeringsovereenkomsten. (pag. 79)
  • De laagste pensioenen zullen worden opgewaardeerd. (pag. 113)
  • Naast de gelijkschakeling van de kinderbijslag in het stelsel van de zelfstandigen met die van de loontrekkenden waarin het institutioneel akkoord voorziet, zullen de zelfstandigen hun minimumpensioenen zien verhogen, om geleidelijk aan op dezelfde hoogte als die van de loontrekkenden te komen, afhankelijk van de budgettaire mogelijkheden van het stelsel. (pag. 113)

regeerakkoord

Verslag 2011 van de Studiecommissie voor de vergrijzing

De wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds heeft ook geleid tot de oprichting van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV). Die Commissie is belast met de jaarlijkse redactie van een verslag over de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing. De voorliggende publicatie is het tiende verslag van de SCvV.

Het eerste hoofdstuk toont de geactualiseerde vooruitzichten van de sociale uitgaven tegen 2060 volgens een referentiescenario en twee alternatieve scenario’s voor productiviteitsgroei op lange termijn. Die projecties sluiten aan bij de nieuwe bevolkingsvooruitzichten 2010-2060 die in het tweede hoofdstuk nader worden toegelicht. De SCvV heeft op regelmatige basis gevoeligheidsanalyses voorgesteld met betrekking tot de werkgelegenheidsgraad van 55-64-jarigen of inzake de effectieve uitstapleeftijd uit de arbeidsmarkt, zonder echter de maatregelen te verkennen die tot dergelijke evoluties zouden leiden. Dit jaar heeft de SCvV de gevolgen van een verhoging van de loopbaanvoorwaarde vereist voor een vervroegd of brugpensioen bestudeerd (hoofdstuk 3). Ten slotte toont hoofdstuk 4 de verschillende indicatoren voor de sociale houdbaarheid van de pensioenen, zowel op basis van de meest recente gegevens als in projectie.

2011 verslag Studiecommissie voor de vergrijzing

Benchmark voor prudent karakter van een pensioenfonds

De Belgische wetgeving legt op dat een pensioenfonds voldoende prudent moet zijn bij het vaststellen van haar technische voorzieningen. In tegenstelling tot andere landen worden er evenwel geen rekenregels opgelegd om de hoogte van de technische voorzieningen te bepalen. Ieder pensioenfonds moet in functie van haar risico’s deze rekenregels vaststellen.

In een seminarie van 17 maart geeft de CBFA een benchmark waartegen kan geoordeeld worden of een pensioenfonds een prudente buffer heeft of niet. De benchmark wordt bepaald door de verhouding van de “langetermijn technische voorzieningen” (LTV) ten aanzien van de “kortetermijn technische voorzieningen” (KTV).

Verhouding
Percentage van IBP’s Percentage van balanstotaal
LTV / KTV 2008 2009 2008 2009
>150% 5.37% 9.01% 10.27% 18.73%
>125% 15.12% 21.81% 25.77% 29.84%
>120% 20.98% 27.13% 29.00% 33.77%
>115% 27.80% 38.30% 35.71% 45.51%
>110% 40.00% 52.13% 46.58% 51.19%
>105% 57.56% 67.55% 72.50% 73.02%
>100% 75.12% 87.23% 88.18% 94.77%
100% 24.88% 12.77% 11.82% 5.23%

Gemiddelde pensioenleeftijd voor zelfstandigen

Op vraag van mevrouw de volksvertegenwoordiger Maggie De Block, geeft de Minister van Pensioenen de gemiddelde pensioenleeftijd voor zelfstandigen tussen 2005 en 2009:

Man Vrouw
2004 64,07 63,83
2005 64,01 63,71
2006 63,81 66,37
2007 63,89 64,46
2008 63,92 64,41
2009 63,99 66,26

De verhoogde gemiddelde leeftijd voor de vrouwen wier rustpensioen in 2006 en in 2009 is ingegaan, wordt verklaard door het kleiner aantal vrouwen die in de loop van de vermelde jaren hun rustpensioen genomen hebben tengevolge van de verhoging van de pensioenleeftijd van 63 naar 64 jaar in 2006 en van 64 naar 65 jaar in 2009 waardoor de impact van enkele extreme gevallen (leeftijd op de eerste ingang van het rustpensioen 70 jaar) groter is.

53K0012

Commissie daagt België voor EU-Hof wegens discriminerende behandeling van pensioenspaarbijdragen

De Europese Commissie heeft vandaag België voor het Hof van Justitie van de EU gedaagd omdat het land uitsluitend belastingvermindering wegens pensioensparen toestaat voor betalingen aan Belgische instellingen of, in het geval van collectief pensioensparen, wanneer het geld in Belgische fondsen wordt geïnvesteerd. De Commissie is van mening dat deze bepalingen indruisen tegen de EU-regels inzake het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal die zijn neergelegd in de artikelen 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De Commissie had België in maart 2010 al een met redenen omkleed advies toegezonden (IP/10/300). Omdat België zich niet tijdig aan de EU-wetgeving heeft geconformeerd, heeft de Commissie vandaag besloten om de zaak voor het Hof van Justitie van de EU te brengen.

Volgens de Belgische wet op de inkomstenbelasting komen betalingen voor individuele pensioenspaarrekeningen, collectieve pensioenspaarrekeningen en spaarverzekeringen slechts in aanmerking voor belastingvermindering als zij in België zijn gedaan. De Belgische autoriteiten betogen dat deze beperking nodig is om de zekerheid van de pensioenspaarbeleggingen te garanderen.

De Commissie is van mening dat deze beperking te ver gaat en discriminerend is. De EUwetgeving betreffende de wederzijdse bijstand en het levensverzekeringsbedrijf zou voldoende garanties moeten bieden dat de spaarbeleggingen van Belgen, of het nu in binnenlandse dan wel in buitenlandse fondsen is, even goed zijn beschermd. De Belgische wetgeving weerhoudt Belgische belastingplichtigen ervan om deel te nemen in pensioenfondsen in andere lidstaten en druist in tegen de fundamentele EU-beginselen inzake het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal.

Voor de persmededelingen over inbreukprocedures op het gebied van belastingen en douane: http://ec.europa.eu/taxation_customs/common/infringements/infringement_cases/index_en.htm

Voor de laatste algemene informatie over inbreukmaatregelen tegen lidstaten: http://ec.europa.eu/community_law/index_nl.htm

Voor informatie over de inbreukprocedures van de EU: MEMO/10/605

Bron: Europa Top

Groenboek Nationale Pensioenconferentie

Het Groenboek is het tussentijds verslag van de Nationale Pensioenconferentie. Het verslag geeft een overzicht van de verschillende pensioenstelsels in de drie pijlers en vormt daarom een nuttig naslagwerk. Het bespreekt de drie pijlers, de fiscaliteit en de verschillende pensioeninstellingen en geeft telkens interessante statistieken.

Het Groenboek moet later in 2010 resulteren in een witboek met concrete aanbevelingen inzake de financiering van de pensioenen.

groenboek

Voorstelling enquêteresultaten over aanvullende pensioenen voor contractuele werknemers bij de overheid

Pension Architects peilde in samenwerking met drie verzekeraars, AG Insurance, AXA en Delta Lloyd Life, naar het verwachtingspatroon en de behoeften van 728 lokale besturen op het vlak van aanvullende pensioenen.

De resultaten van deze enquête zullen worden voorgesteld tijdens een colloquium dat gepland wordt in de week van 15 maart.

De resultaten zullen al aan de pers worden voorgesteld tijdens een persvoorstelling op 22 februari. Deze voorstelling zal enkel toegankelijk zijn voor de pers.

Voor verdere informatie kan u contact opnemen met:

  • Pension Architects: Ivan Eulaers – +32 3 322 97 79
  • AG Insurance: Gerrit Feyaerts (woordvoerder) – +32 2 664 09 61
  • AXA: Wim Pauwels (woordvoerder) – +32 2 678 64 63
  • Delta Lloyd Life: Laurent Winnock (woordvoerder) – +32 2 238 89 23

Pensioenen van de ambtenaren van de lokale besturen

De Minister van Pensioenen antwoordt op een vraag van volksvertegenwoordiger Ducarme over een mogelijk tekort van € 130M om de pensioenen van de gepensioneerde ambtenaren van de Belgische lokale overheden te betalen.

De Minister bevestigt dat de bijdragenvoet voor het pensioenstelsel van de nieuwe bij de RSZ PPO aangesloten besturen (= pool 2) stijgt met 2,5% tot 37% van de loonmassa. De effectieve pensioenlast zal in 2010 46% van de loonmassa bedragen (42% in 2009).

De Minister bereidt eveneens een wetsontwerp voor om de lasten billijker te spreiden tussen de verschillende lokale besturen. Besturen die niet langer bijdragen aan het systeem (lees, omdat ze niet langer statutair benoemen), dienen toch bij te dragen voor de pensioenlasten die zij vanuit een vroeger personeelsbestand voor vele jaren in de toekomst blijven veroorzaken.

20100111VragenDeKamer