De Kamer: Vraag nr. 814 – 80%-regel

Vraag nr. 814 van de heer volksvertegenwoordiger Wouter De Vriendt van 19 maart 2014 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken:

Aanvullende pensioenen in de tweede pijler. – Werkgeversbijdragen. – Evaluatie van de 80 %-regel en het plafond op de fiscale aftrekbaarheid.

In het federale regeerakkoord was sprake van de volgende maatregelen:

“De regering zal de fiscale 80 %-regel evalueren om er de perverse gevolgen van bloot te leggen (het aandikken van de bezoldiging op het einde van de loopbaan om het hoogste fiscale voordeel te kunnen genieten, rekenfouten door een verkeerde evaluatie van het wettelijk pensioenbedrag bij een gemengde loopbaan, …) en die te vermijden.”

“De voor de tweede pensioenpijler gestorte bijdragen zullen maar fiscaal aftrekbaar zijn (in het kader van de 80 %-regel) indien ze recht geven op een aanvullend pensioen dat, bij het wettelijk pensioen samengevoegd, het niveau van het hoogste overheidspensioen niet overschrijdt.”

vraag_814

Aftrekbaarheid aanvullend pensioen en de 80%-grens

Tussen een onderneming en wijlen haar gedelegeerd bestuurder werd er een onderhands ‘pensioencontract’ afgesloten. Dit voorzag in de toekenning vanaf de beëindiging van zijn mandaat, van een maandelijks pensioen. Na het overlijden van de man, werden de pensioenbedragen aan zijn weduwe uitgekeerd. De fiscale administratie heeft het verschil tussen het aan de weduwe toegekende brutopensioen en het maximumbedrag van de geïndexeerde renten bij toepassing van artikel 59 WIB92 als niet aftrekbare pensioenen en pensioenbijdragen verworpen.

Krachtens artikel 59, eerste lid, WIB92 bepaald de voorwaarden waaronder werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als beroepskosten worden aangemerkt. Zo moeten ze definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en zijn pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen slechts als beroepskosten aftrekbaar in zover ze niet meer bedragen dan hetgeen door storting van bijdragen als bedoeld in artikel 59 WIB92, zou zijn verkregen. De voormelde aftrekbeperking houdt in dat de pensioenen enz. slechts aftrekbaar zijn in de mate dat de wettelijke en extrawettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering uitgedrukt in jaarlijkse renten, waarvan een indexering is toegelaten, niet meer bedragen dan 80% van de laatste normale bruto jaarbezoldiging (artikel 34 KB/WIB ’92) en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid (artikel 34 KB/WIB ’92).

Het Hof van Beroep stelt vast dat de fiscale administratie niet betwist dat de in artikel 59 WIB92 gestelde beperking tot 80% in principe eveneens van toepassing is met betrekking tot de pensioenen die door een onderneming aan de rechtverkrijgenden van gewezen personeelsleden worden toegekend. Er dient eerst onderzocht te worden of de aftrekbeperking wel degelijk correct en in overeenstemming met artikel 59 WIB92 werd en wordt toegepast. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat dit wettigheidtoezicht door de administratie werd uitgevoerd. Het behoort dat partijen hieromtrent standpunt zouden innemen en alle stukken, die dergelijk wettigheidtoezicht zouden moeten toelaten uit te voeren, zouden overleggen. Het Hof van Beroep heropent de debatten teneinde partijen toe te laten conclusies op te stellen omtrent de toepassing va de aftrekbeperking tot 80%.

Antwerpen, 18 mei 2010, Fiscalnet 29 september 2010.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 2

Regel 80% en pensioentoezeggingen

Als een zelfstandig zaakvoerder bezoldigd wordt door twee vennootschappen en bij beide geniet van pensioentoezeggingen, kan de verzekeringsonderneming, die optreedt als “pensioeninstelling”, bij de berekening van de 80%- begrenzing ex artikel 59, §1, 2° WIB92 ten behoeve van het attest af te leveren voor één van de vennootschappen, diens wettelijk pensioen omdelen in functie van de verhouding tussen de bruto jaarbezoldiging in vennootschap A over de totale bruto jaarbezoldiging in beide ondernemingen.

Het VAPZ, in de zin van artikel 45 van de Programmawet (I) van 24 december 2002, moet voor deze berekening als extrawettelijk pensioen in rekening worden gebracht. Ook hier kan de verzekeringsmaatschappij het VAPZ omdelen in functie van de verhouding tussen de bruto jaarbezoldiging in de vennootschap A over de totale bruto jaarbezoldigingen in beide ondernemingen.

Bij de berekening van de 80%-regel met betrekking tot het attest dat hij ingevolge artikel 35, § 5, eerste lid, KB/WIB 92 aflevert bij de onderschrijving van een individuele pensioentoezegging voor één van de vennootschappen, mag rekening gehouden worden met het wettelijk pensioen en het VAPZ van de begunstigde, beperkt tot het proportioneel deel van de door deze vennootschap aan de begunstigde uitgekeerde bruto jaarbezoldigingen in de totale bruto jaarbezoldigingen van beide vennootschappen.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nr. 1, 15 september 2010

Continue reading “Regel 80% en pensioentoezeggingen”

Hof van Cassatie: 80% regel binnen en buiten de onderneming

Krachtens artikel 59 WIB92, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2001, worden de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat de wettelijke en extrawettelijke toekenningen n.a.v. de pensionering, uitgedrukt in renten, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto jaarbezoldiging, en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Dezelfde wetsbepaling verleent aan de Koning de bevoegdheid om de voorwaarden en de wijze van toepassing van dit artikel te bepalen.

Krachtens artikel 35 KB WIB92 zijn de voormelde werkgeversbijdragen aftrekbaar in zoverre ze toekenningen vestigen die gelijk staan met een jaarrente waarvan het bedrag, aangevuld met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 pct. van de normale bruto jaarbezoldiging van de werknemers tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid. Deze grens geldt niet voor bijdragen die gestort zijn om werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, een pensioen toe te kennen berekend in verhouding tot een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat die bijdragen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger wettelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft.

Door de invoering van voormeld artikel 35 KB WIB92 heeft de Koning, op grond van de hem door artikel 59 WIB92 verleende machtiging, voor de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdragen een onderscheid gemaakt tussen de jaren gepresteerd in en deze buiten de onderneming, en hiermee een voorwaarde voor de aftrekbaarheid bepaald binnen de aan de Koning verleende bevoegdheid. De Koning heeft aldus door de invoering van voormeld artikel 35 de hem door artikel 59 WIB92 toegekende bevoegdheid niet overschreden. Het middel faalt naar recht.

Krachtens artikel 35 KB WIB92 is de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdragen beperkt op grond van het aantal dienstjaren gepresteerd bij de onderneming, waarbij de jaren gepresteerd buiten de onderneming beperkt zijn tot maximaal 10 jaar. De verschillende behandeling van de aftrekbaarheid voor prestaties buiten de onderneming ten opzichte van deze binnen de onderneming die de bijdragen heeft gestort ten behoeve van zijn werknemers, is objectief en redelijk verantwoord.

Er bestaat immers in de context van artikel 49 WIB92 een objectief en redelijk verband tussen, enerzijds, de graad van aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood, en, anderzijds, het aantal jaren beroepswerkzaamheid bij de onderneming. De vereiste band met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid is niet aanwezig voor de periode waarin de betrokken werknemer een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend bij andere ondernemingen dan degene die aanspraak maakt op het recht op aftrek. Gelet op de algemene aftrekbaarheidvoorwaarde waarin artikel 49 WIB92 voorziet, heeft de Koning wettig de aftrek van werkgeversbijdragen kunnen berekenen op grond van het aantal dienstjaren gepresteerd buiten de onderneming. Ook dit middel faalt naar recht.

Cass. 20 mei 2010, F.09.0076.N

Bron: Leergang Pensioenrecht 2009-2010, nr. 6, 8 juli 2010

Loongrens 2009 voor 80% regel

De bijdragen die de werkgever stort in een groepsverzekeringscontract of aan een pensioenfonds om voor zijn personeel een aanvullend pensioen op te bouwen, zijn aftrekbaar, zij het binnen een bepaalde grens en onder bepaalde voorwaarden. Die grens, bekend als de 80 %-grens, houdt in dat de extra-wettelijke pensioenen die door werkgeversbijdragen worden gevormd, tezamen met het wettelijk pensioen, niet méér mogen bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging.

Om de 80 %-grens te bepalen, telt dus ook het wettelijk pensioen mee. Volgens de fiscus kan het wettelijk pensioen forfaitair worden bepaald. Voor werknemers kan het wettelijk pensioen forfaitair worden vastgesteld op 50 % van de brutojaarbezoldiging die voor de berekening van het wettelijk pensioen in aanmerking wordt genomen. De brutojaarbezoldiging is wel begrensd. Die loongrens wordt per kalenderjaar vastgesteld.

De circulaire van 12 maart 2010 legt die loongrens voor werknemers voor inkomstenjaar 2009 vast op € 47.171,84. Het minimumpensioen voor zelfstandigen bedraagt € 10.485,68 en het maximumpensioen € 14.813,24.

Continue reading “Loongrens 2009 voor 80% regel”

Aanvullend pensioenplan: voortzetting voor tijdelijke werklozen

In een onlangs gepubliceerde ruling aanvaardt de Rulingcommissie dat een aanvullend pensioenplan van de tweede pijler (groepsverzekering, pensioenfonds, …) in een aantal situaties van arbeidsduurvermindering of zelfs van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst mag voortgezet worden alsof de betrokkene nog voltijds aan de slag was.

Continue reading “Aanvullend pensioenplan: voortzetting voor tijdelijke werklozen”

Aftrekbaarheid van de premietaksen

Mevrouw de volksvertegenwoordiger Martine De Maght vroeg aan de minister van Financiën of de premietaksen van 4,40% een aftrekbare beroepskost vormen.

De minister verwijst naar de 80% regel en verduidelijkt dat de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen van 4.40% een integraal deel is van de werkgeversbijdragen en dus in principe als beroepskost aftrekbaar is.

De premietaks moet mee in beschouwing worden genomen bij de vaststelling van de 80% regel.

20100201_52K0092

Aftrekbaarheid van bijdragen aanvullend pensioen

Exiger, pour la déduction des cotisations et primes patronales visées à l’article 52, 3, b du CIR92, la preuve que les sommes en question ont été payées dans le but de continuer à percevoir des revenus professionnels, revient à ajouter à la loi une condition qu’elle n’énonce pas expressément. La prime patronale unique d’assurance-groupe versée par une société à un moment où il était acquis qu’elle allait être dissoute à brève échéance, est par conséquent déductible, dès lors qu’elle satisfait aux conditions prévues aux articles 52, 3°, b, 59 (règle des « 80 % ») et 195 du CIR92 et aux articles 34 et 35 de l’AR/CIR92.

Rb Luik 15 maart 2007, Fiscale Jurisprudentie 2009, afl. 4, 272.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 5

Pensioen of gewone belegging?

Volgens de belastingplichtige werd een groepsverzekering met intentie van pensioenopbouw in het voordeel van de bedrijfsleider of van zijn rechthebbenden afgesloten, waarbij voldaan werd aan alle voorwaarden van art. 52, 3°, b en art. 59 WIB92.

De fiscus verdedigde de stelling dat het contract weliswaar alle uiterlijke kenmerken van een “verzekeringscontract” draagt maar echter op einddatum enkel verplicht de gekapitaliseerde premies dienen terugbetaald te worden, naast uitvoering van de andere in het contract vermelde bepalingen. De verzekerde heeft dus geen enkel recht op prestatie, nu het uitgekeerde enkel bestaat uit het gekapitaliseerde bedrag, en dat de begunstigde, zowel bij leven als bij overlijden, enkel het spaartegoed krijgt en geen risicokapitaal bij overlijden.

De Rechtbank stelde vast dat in de voorliggende situatie het contract hoe dan ook slechts retournering bepaalt van de gekapitaliseerde premies. In zoverre er immers al een alea aanwezig is, wordt het geneutraliseerd door de werking van het voorliggend contract. Het gaat voorts niet om een pensioenregeling voor de bedrijfsleider in de zin van de wet, nu er geen pensioentoezegging voorligt, wat onderzoek naar de andere wettelijke voorwaarden in dit verband zonder voorwerp maakt.

Rb. Antwerpen 16 januari 2008, Fiscalnet 14 november 2008

Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 3