Nieuw grensbedrag wettelijke pensioenen 2020

Jaarlijks wordt het nieuwe grensbedrag (van toepassing op de berekening van de wettelijke pensioenen) gepubliceerd door de Federale Pensioendienst (FPD). Dit bedrag wordt in veel aanvullende pensioenplannen gebruikt.

Het plafond voor 2020 bedraagt € 60.026,75 (in 2019 bedroeg dit € 58.446,94).

Op 1 januari 2021 bedraagt het maximum wettelijk pensioen als alleenstaande € 30.819,93 en als gezinshoofd € 38.524,91.

Deze bedragen zijn vastgesteld aan index 147,31.

MAXPNW2021 i=147,31 corr met 0,98

DFORLON2021 corr met 0,98

BRFPENSIONARCHITECTS Mr Ivan Eulaers

De tweede pensioenpijler in beeld – Overzicht 2020

De FSMA publiceert jaarlijks een aantal kerngegevens over het aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen. De jongste editie van ‘De tweede pensioenpijler in beeld’ bevat de pensioengegevens op 1 januari 2020.

De tweede pensioenpijler omvat de aanvullende pensioenen die mensen opbouwen  in het kader van hun loopbaan als werknemer of zelfstandige. Dit aanvullend pensioen komt bovenop het wettelijk pensioen.

De pensioenwebsite Mypension.be verzamelt in haar databank DB2P gegevens over het aanvullend pensioen.

In totaal zijn er dit jaar 3.950.000 mensen met een aanvullend pensioen. Dit is een stijging van vijf procent ten opzichte van 2019. Dit aantal stemt overeen met circa 78 procent van de beroepsbevolking.

De opgebouwde pensioenrechten vertegenwoordigen een totaalbedrag van 91,46 miljard euro. Dat is zeven procent meer dan in 2019.

De opgebouwde pensioenrechten bij de werknemers bedragen 63,1 miljard euro en bij de zelfstandigen 28,3 miljard euro.

De organisatie van het aanvullend pensioen hangt nauw samen met het professioneel sociale zekerheidsstatuut. 85 procent van de mensen met een aanvullend pensioen bouwt pensioenrechten op als werknemer, negen procent als zelfstandige en zes procent als werknemer én zelfstandige.

Het initiatief voor de opbouw van een pensioenplan voor werknemers gaat meestal uit van de werkgever. Het initiatief kan ook uitgaan van een bedrijfssector. In totaal bedragen de opgebouwde pensioenreserves in het kader van een ondernemingsplan 52,8 miljard euro tegenover 5,2 miljard euro in een sectorplan. Deze bedragen houden geen rekening met de pensioenreserves die werknemers opbouwen in bijvoorbeeld een onthaalstructuur.

Werknemers die geen of slechts een heel klein aanvullend pensioen opbouwen bij hun werkgever of sector, kunnen bovendien op eigen initiatief een Vrij Aanvullend Pensioen voor Werknemers (VAPW) onderschrijven. Voor dit aanvullend pensioenproduct beschikt DB2P voor de eerste keer over cijfers.

Een zelfstandige kan op individuele basis een aanvullend pensioen opbouwen via het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ). Als een zelfstandige het statuut heeft van zelfstandige bedrijfsleider kan de onderneming voor hem een aanvullend pensioen opbouwen. Zelfstandigen die hun professionele activiteit niet in een vennootschap uitoefenen hebben de mogelijkheid om een pensioen bijeen te sparen via het Vrij Aanvullend Pensioen voor de Zelfstandigen actief als Natuurlijk Persoon (VAPZNP).

Zelfstandigen bouwden in totaal in het kader van een VAPZ-contract 8,6 miljard euro aan pensioenreserves op, tegenover 19,6 miljard euro aan pensioenreserves voor de zelfstandige bedrijfsleiders en 70,4 miljoen euro binnen het aanvullende pensioenproduct VAPZNP.

De gemiddelde verworven reserve van wie een aanvullend pensioen opbouwt en de pensioenleeftijd nadert – de leeftijdscategorie van 55 tot 64-jarigen – bedraagt 56.057 euro. Achter dit globale gemiddelde gaan grote verschillen schuil. Zo bedraagt de mediaanreserve voor de 55-64-jarigen slechts 9.118 euro.

Bij mannen ligt de gemiddelde verworven reserve voor die leeftijdscategorie op 71.171 euro. Dat is een stuk hoger dan bij vrouwen (33.210 euro).

Ook tussen de professionele statuten zijn er grote verschillen qua verworven reserves. Zo beschikt een zelfstandige bedrijfsleider gemiddeld over een pensioenreserve van 84.258 euro, terwijl een aangeslotene bij een sectoraal pensioenplan voor werknemers gemiddeld beschikt over een reserve van 2.475 euro.

Verzekeringsondernemingen beheren ongeveer viervijfde van de pensioenreserves, waarvan ruim 80 procent in een tak 21-verzekeringsproduct.

sectoroverzicht_2020

Circulaire 2020/C/34 over de notie ‘effectief actief’ en ‘volledige loopbaan volgens de geldende pensioenwetgeving’ – teveel ingehouden en doorgestorte bedrijfsvoorheffing

Dit addendum bij de circulaire 2019/C/135 over de notie ‘effectief actief’ en ‘volledige loopbaan volgens de
geldende pensioenwetgeving’ bespreekt welke stappen er kunnen worden ondernomen wanneer er teveel
bedrijfsvoorheffing werd ingehouden en doorgestort.

Circulaire 2020_C_34 – Nl

Nieuw grensbedrag wettelijke pensioenen 2019

Jaarlijks wordt het nieuwe grensbedrag (van toepassing op de berekening van de wettelijke pensioenen) gepubliceerd door de Federale Pensioendienst (FPD). Dit bedrag wordt in veel aanvullende pensioenplannen gebruikt.

Het plafond voor 2019 bedraagt € 58.446,94 (in 2018 bedroeg dit € 57.602,62).

Op 1 januari 2020 bedraagt het maximum wettelijk pensioen als alleenstaande € 29.949,85 en als gezinshoofd € 37.437,311.

Deze bedragen zijn vastgesteld aan index 144,42.

MAXPNW2020 i=144,42 corr met 0,98

DFORLON2020 corr met 0,98

BRFPENSIONARCHITECTS Mr Ivan Eulaers

Algemene administratie van de Fiscaliteit. — Bericht aan de verzekeringsondernemingen, voorzorgsinstellingen en instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen. — Belastingstelsel van aanvullende pensioenen – afzonderlijke aanslagvoet van 10 % – begrip “effectief actief” – stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag

Dit bericht verduidelijkt het begrip “effectief actief” voor werklozen
in een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) zoals
opgenomen in de bijlage 4, “Interpretatie van het begrip effectief actief”, van het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten m.b.t. de fiche 281.11 (inkomstenjaar 2015).

Voormeld bericht kan u raadplegen op de website www.financien.belgium.be via de volgende linken: Experten & Partners > Sociale secretariaten en schuldenaars van inkomsten > Bericht aan schuldenaars > Pensioenen (fiche 281.11).

De in voormelde bijlage 4 opgenomen limitatieve lijst van periodes
van inactiviteit of van mindere activiteit die met periodes van activiteit kunnen worden gelijkgesteld, werd (en ditmet ingang vanaf 01.01.2015) aangevuld met de volgende periode:
“voor de periode tijdens dewelke betrokkenen werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag genieten voor zover zij aangepast beschikbaar zijn als bedoeld in artikel 56, § 3 van het koninklijk besluit van 25.11.1991 houdende werkloosheidsreglementering. Aangepaste beschikbaarheid houdt
onder meer in dat men ingeschreven blijft als werkzoekende en meewerkt aan een aangepaste begeleiding. Deze aangepaste begeleiding gebeurt door middel van een individueel actieplan.”

Vanaf 01.01.2015 wordt dus de periode waarin een werkloze in SWT
aangepast beschikbaar is gebleven (in de zin van artikel 56, § 3 van het koninklijk besluit van 25.11.1991 houdende werkloosheidsreglementering), gelijkgesteld met een periode waarin hij effectief actief is gebleven. Wanneer hij evenwel in die periode niet aangepast beschikbaar is gebleven, wordt die periode niet gelijkgesteld met een periode waarin hij effectief actief is gebleven.
Wat die aangepaste beschikbaarheid betreft, moet een onderscheid
worden gemaakt tussen de bestaande en de nieuwe werklozen in SWT.

Nieuwe werklozen in SWT
Vanaf 01.01.2015 zijn de zogenaamde ²nieuwe werklozen in SWT² in principe onderworpen aan de verplichting van aangepaste beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt tot de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereiken. Evenwel is het mogelijk om een vrijstelling aan te vragen van deze verplichting van aangepaste beschikbaarheid, mits bepaalde voorwaarden met betrekking tot de leeftijd of de beroepsloopbaan zijn vervuld.

De periode waarin een werkloze in SWT aangepast beschikbaar is
gebleven, wordt gelijkgesteld met een periode waarin hij effectief actief is gebleven. Wanneer echter de werkloze in SWT een vrijstelling van aangepaste beschikbaarheid heeft gevraagd en verkregen, wordt hij niet beschouwd als effectief actief.

Bestaande werklozen in SWT
De zogenaamde “bestaande werklozen in SWT” zijn vrijgesteld van
de verplichtingen verbonden aan de beschikbaarheid voor de
arbeidsmarkt. Aangezien deze werklozen in SWT niet aangepast
beschikbaar zijn, zijn zij ook niet effectief actief.

Afzonderlijke aanslagvoet
Wie effectief actief is gebleven tot aan de wettelijke pensioenleeftijd
kan aanspraak maken op de gunstige afzonderlijke aanslagvoet van
10 % als bedoeld in artikel 171, 2°, b, tweede streepje van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Wie daarentegen niet effectief actief is gebleven tot aan de wettelijke pensioenleeftijd heeft geen recht op voormelde afzonderlijke aanslagvoet van 10 %.

effectief-actief_mededeling-fiscus_bs-2016-07-11

Het aanvullend pensioen als essentiële arbeidsvoorwaarde

Wanneer is iets essentieel? En van wat is het de essentie? In deze nieuwsbrief wordt in navolging van eerdere rechtspraak gesteld dat het aanvullend pensioen een essentieel element van de arbeidsovereenkomst uitmaakt. Het aanvullend pensioen wordt dus geacht “onmisbaar, vitaal, zeer belangrijk of noodzakelijk” deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst als we de synoniemenlijst mogen geloven. Het rechtstreekse gevolg is dat een werkgever niet zomaar eenzijdig het aanvullend pensioen kan wijzigen of opheffen. En dit zelfs als er een wijzigingsbeding is (zie nr. 3.1. in deze nieuwsbrief).

Volgens de arbeidsovereenkomstenwet van 1978 is een beding waarbij een werkgever zich het recht voorbehoudt om de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen nietig (art. 25). Ten gevolge van jarenlange rechtspraak en rechtsleer wordt er ondertussen evenwel een onderscheid gemaakt tussen essentiële versus bijkomstige overeengekomen voorwaarden waarbij men nog een onderscheid moet maken tussen belangrijke en onbelangrijke wijzigingen bij de essentiële overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Het artikel 25 AOW is zeker zo duidelijk niet.

Maar vanaf welk ogenblik is iets essentieel? In onderliggende zaak steunt de Arbeidsrechtbank van Antwerpen voor het antwoord op deze vraag op een formulering van het Arbeidshof van Brussel van 25 mei 2010: er is ten eerste “een toenemend belang van het aanvullend pensioen als aanvulling op het wettelijk pensioen” en het biedt ten tweede “een belangrijk uitgesteld voordeel op de pensioenleeftijd”. Zowel de arbeidsrechtbank te Antwerpen in 2014 als het Arbeidshof in Brussel in 2010 vertrekken aldus vanuit twee vaststellingen om te bepalen dat er iets essentieel is: het toenemend belang van het aanvullend pensioen en het gegeven dat het een belangrijk uitgesteld voordeel biedt.

Kloppen deze twee vaststellingen? Ik vermoed daarbij dat de rechters in beide zaken geen tautologie hebben willen neerschrijven maar wel een onderscheid willen aanduiden in hun redenering. We kunnen alvast stellen dat de eerste vaststelling over het “toenemend belang van het aanvullend pensioen” veeleer betrekking heeft op een macroniveau dan op de specifieke zaak in kwestie. De rechtspraak verwijst zo eigenlijk naar het maatschappelijk belang van het aanvullend pensioen. De tweede vaststelling situeert zich meer op een microniveau namelijk dat het aanvullend pensioen een “belangrijk uitgesteld voordeel biedt op de pensioenleeftijd”.

Wat het eerste argument betreft: is het correct van de rechter om naar een maatschappelijke evolutie te wijzen om het belang ervan in een specifieke zaak (aan) te duiden? Ik meen van wel. Rechters mogen zo – gewikt en gewogen – maatschappelijke standpunten innemen. We leven niet langer in de 19de eeuw waarbij bepaalde rechtsstromingen een loutere hermeneutische of zelfs exegetische lezing van de wetteksten verdedigden. De rechter mag – gelukkig – vandaag verder gaan en zelf(s) een waardeoordeel vellen. Hoe meer een norm open is, hoe vaker dit natuurlijk gebeurt. Indien echter blijkt dat dit waardeoordeel geen steek houdt met de wettekst, dan is het de rol van het Hof van Cassatie om de rechter in casu terug te fluiten of aan de wetgever om de wetteksten aan te passen. Zo werkt nu eenmaal de trias politica in onze rechtsstaat.

Ik vind het tweede argument van de rechters eigenlijk minder evident dan het eerste. Het aanvullend pensioen is in deze argumentatie een “belangrijk uitgesteld voordeel op pensioenleeftijd”. Dit argument veronderstelt eigenlijk dat men het “belang” van het voordeel kent en weegt ten opzicht van andere voordelen of elementen. Lapidair en ietwat provocerend gesteld: bepaalt de hoogte van het aanvullend pensioen op pensioenleeftijd het “belang” ervan? Wordt het essentieel karakter van het aanvullend pensioen dan vastgelegd in functie van de relatieve waarde ten opzichte van andere pensioen- of vermogensopbouw? Als men verder redeneert (en daarbij dan ook helemaal uit de bocht gaat), dan veronderstelt “het belang” met andere woorden een vorm van geldelijke toetsing van de relatieve waarden van de pensioenelementen per particulier. Nog één stap verder in de redenering – en daarbij elke realiteitszin verliezend – en men belandt bij een bestaansmiddelentoets. Zo ver gaan de rechters in casu evenwel natuurlijk niet. Hebben zij rekening gehouden met de bedragen in het geding (in casu twee jaarpremies van ongeveer 6200€)? Dat weten we niet. Nergens wordt er melding gemaakt van een dergelijke “weging” of “relatieve toetsing” van het belang van de vordering ten opzichte van het totaal pensioen of zelfs vermogen van de gedupeerde aangeslotene.

Concluderend kan men stellen dat het vonnis een goede zaak is voor de rechtszekerheid. Steeds meer arbeidsgerechten aligneren zich op de zogenaamde incorporatietheorie waarbij het aanvullend pensioen (of onderdelen ervan) als essentieel worden bekeken. Alleen is het duidelijk dat de onderliggende motivering of althans de juiste formulering van de motivering nog te wensen overlaat.

YS

BRON: FACULTEIT RECHTSGELEERDHEID – KU LEUVEN – LEERGANG PENSIOENRECHT NIEUWSBRIEF 5 – ACADEMIEJAAR 2013-2014

De Kamer: Vraag nr. 814 – 80%-regel

Vraag nr. 814 van de heer volksvertegenwoordiger Wouter De Vriendt van 19 maart 2014 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken:

Aanvullende pensioenen in de tweede pijler. – Werkgeversbijdragen. – Evaluatie van de 80 %-regel en het plafond op de fiscale aftrekbaarheid.

In het federale regeerakkoord was sprake van de volgende maatregelen:

“De regering zal de fiscale 80 %-regel evalueren om er de perverse gevolgen van bloot te leggen (het aandikken van de bezoldiging op het einde van de loopbaan om het hoogste fiscale voordeel te kunnen genieten, rekenfouten door een verkeerde evaluatie van het wettelijk pensioenbedrag bij een gemengde loopbaan, …) en die te vermijden.”

“De voor de tweede pensioenpijler gestorte bijdragen zullen maar fiscaal aftrekbaar zijn (in het kader van de 80 %-regel) indien ze recht geven op een aanvullend pensioen dat, bij het wettelijk pensioen samengevoegd, het niveau van het hoogste overheidspensioen niet overschrijdt.”

vraag_814

Voorontwerp van Wet aanvullende pensioenen

De ministerraad keurt, op voorstel van minister van Pensioenen Alexander De Croo, een voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen goed. Het voorontwerp beantwoordt aan de volgende doelstellingen:

  • Betere informatie. Het voorontwerp regelt de manier waarop de databank aanvullende pensioenen in 2016 toegankelijk zal zijn voor de loontrekkenden, de zelfstandigen of de ambtenaren. Elke burger zal op elk ogenblik op de website My Pension een overzicht krijgen van alle opgebouwde pensioenrechten, zowel voor het wettelijk pensioen als het aanvullend pensioen.  Ook burgers met een gemengde loopbaan zullen een volledig zicht krijgen op hun pensioenrechten.  Ook de informatie zelf zal veel helderder worden en drastische vereenvoudigd worden. De pensioeninstellingen zullen komaf maken met complexe en technische loopbaanoverzichten en pensioenfiches. Ze zullen aan iedereen begrijpelijke overzichten en visueel eenvoudige informatie bezorgen.
  • Vereenvoudiging. Het voert een eenvormige verjaringstermijn van 5 jaar in voor de verjaring van de rechtsvordering die een werknemer, een aangeslotene of een rechthebbende in verband met aanvullende pensioenen kan instellen tegen werkgevers, inrichters of pensioeninstellingen. Vandaag bestaan er zes verschillende verjaringstermijnen met verschillende startdata. Deze combinatie van een groot aantal verschillende termijnen die op verschillende ogenblikken kunnen beginnen lopen zorgt voor grote onduidelijkheid bij alle in geschillen betrokken partijen. De harmonisering van de verjaringstermijnen beoogt een drastische vereenvoudiging ten voordele van alle rechtsonderhorigen.
  • Aandacht voor zelfstandige bedrijfsleiders. Het voorontwerp schept een minimum sociaal wettelijk kader voor de aanvullende pensioenen die de ondernemingen toekennen aan hun zelfstandige bedrijfsleiders. Dit laat toe om dezelfde service die aan werknemers, ambtenaren en zelfstandigen wordt aangeboden, ook aan te bieden aan zelfstandige bedrijfsleiders van vennootschappen. Ook zij hebben recht op heldere en volledige informatie over hun toekomstig pensioen.
  • Continuïteit. Het hervormt het begrip uittreding in de wet op de aanvullende pensioenen van de loontrekkenden, dat als referentie dient om de rechten van de aangeslotene en de plichten van de inrichter te bepalen. Het voorontwerp is de juridische vertaling van een unaniem advies van de Commissie voor de aanvullende pensioenen uit 2011, waarin zowel werknemers, werkgevers, gepensioneerden als de pensioeninstellingen zijn vertegenwoordigd. Bedoeling is voor meer continuïteit in de opbouw van het aanvullend pensioen te zorgen voor werknemers die binnen dezelfde groep van ondernemingen van werkgever veranderen.

Het voorontwerp is voor advies overgemaakt aan de Raad van State.